Archief van
Auteur: admin

Grote God, Lieve Vader

Grote God, Lieve Vader

Het dilemma van God. Naarmate mijn studie theologie vordert, merk ik dat ik hier steeds weer tegenaanloop. God is heilig, maar aan de andere kant ook persoonlijk. Hij is hoogverheven boven alle schepselen, maar tegelijkertijd wil Hij ons hart als Zijn woning. Hij is Koning, maar ook Vader, en bovendien ook nog de Zoon. ‘Hoe dan?’ Denk ik vaak bij mezelf en ik worstel met vragen over hoe ik God zou moeten benaderen.

Laatst bezocht ik voor een vak een synagoge en een moskee. Wat me vooral is bijgebleven, is hoe deze Imam en Rabbijn over God spraken. Namelijk als een groot mysterie. Hij (eigenlijk is dit al een verkeerd woord; God heeft geen geslacht) is hoog verheven en in nevelen gehuld. Echt kennen kun je Hem dan ook niet. Het belangrijkste in het geloof zijn daarom de geboden en rituelen, want daar is men in ieder geval zeker van. De Rabbijn durfde het zelfs een vorm van agnosticisme te noemen. Men weet het eigenlijk niet.

In het Christendom is Jezus als beeld van God naar de aarde gekomen. Daardoor is God voor ons, in tegenstelling tot de Joden en Moslims, kenbaar geworden. De afstand van mensen tot God, die ik in de moskee en sjoel ervaarde, is door Jezus Christus weggenomen. God kan met zijn Heilige Geest in ons komen wonen. Dat onthult een deel van het mysterie van God. Maar niet alles! In Jezus zien we nog steeds hetzelfde schijnbare dilemma. Enerzijds is Jezus een baby, een dienstknecht, een lam. Anderzijds is Jezus Messias en Koning, de leeuw van Juda. Ik voel bij mezelf een zeker spanningsveld, want ik vind het lastig om deze twee haast uiterste kanten van God te combineren. En ik merk bovendien dat ik niet de enige ben.

Veel verschillen tussen kerken zijn denk ik gebaseerd op het beeld dat men van God heeft. Hoe men de verhouding ziet tussen enerzijds de heiligheid en anderzijds de nabijheid van God. En we sluiten ons aan bij een gemeente die het beeld dat wij van God hebben, met ons deelt. Zo hebben we voor onszelf vastgesteld hoe God is en hoeven we niet al te veel meer na te denken over het mysterieuze en onduidelijke rondom Hem.

Maar maken we hiermee God niet veel kleiner dan Hij is? Laten we God nog wel God op deze manier? We stoppen Hem in een hokje, zodat we Hem kunnen bevatten. Of dat nu een hokje van vooral heiligheid of vooral nabijheid is, dat maakt niet uit. Het probleem is denk ik dat we het willen bevatten. We willen begrijpen wie God in zichzelf is, terwijl we alleen kunnen weten wat God over zichzelf heeft geopenbaard. En dat is dat Hij heilig is én nabij, koning én dienstknecht, lam én leeuw.

Afbeeldingsresultaat voor gungorLaatst zat ik op mijn kamer naar het album Beautiful Things van de band Gungor te luisteren, toen het nummer Cannot Keep You voorbij kwam. Dit nummer (dat gebaseerd is op psalm 113) vat in een aantal regels zó goed samen wat ik hier probeer te zeggen, dat ik er stil van werd. Het antwoord van deze schrijver op de veelzijdigheid van God was geen hokjes denken. Hij probeerde God niet uit alle macht te begrijpen. Nee, in plaats daarvan verwondert hij zich en noemt hij het zelfs een aansporing om God te loven!

Verwondering, dat kunnen we denk ik nog wat meer gebruiken. Wat vaker toegeven dat we het ook gewoon niet altijd weten, als het op God aankomt. Net als de Joden en de Moslims. Ik zou zeggen: luister het nummer, lees de psalm, met aandacht, en verwonder je over de Grote God die wij mogen kennen.

 

P.S.: Het hele album van Gungor is eigenlijk een aanrader. Unieke combinatie van enorme muzikaliteit en sterke teksten! Luisteren!

– Iris Verbeek, oktober 2016

Clusterbommen brengen geen vrede

Clusterbommen brengen geen vrede

Triomfantelijk. Zo klonk het nieuws over het beleg van Mosul op de Nederlandse televisie. Het goede nieuws (εὐαγγέλιον) over de laatste strijd in Irak tegen onze collectieve vijand; een vijand die een vijand is voor Oost en West, voor moslims en voor de wereld van NAVO en EU, Oval Office en het Kremlin. Verenigd onder het adagium dat een gemeenschappelijke vijand tijdelijk verbroedert. Het laatste offensief bij Mosul, dat IS zal verdrijven uit een verscheurd land.

Ik woon in een land dat gelooft in oorlog als middel om een doel te bereiken. Oh zeker; het doel van onze westerse staten lijkt me zuiver: het opbouwen van een vrij en veilig land waar haar burgers in vrede kunnen leven: een land van vrede waar geen mens meer zal weten wat oorlog is. En dat doel, dat heilige doel van een vreedzame samenleving, dat heiligt het middel van moord door bombardementen want we zullen iets moeten doen om IS te bestrijden. Want IS verstaat, zo denken wij vermoedelijk terecht, enkel de taal van geweld. We zullen, zo zegt men, toch iets moeten doen.

De theoloogAfbeeldingsresultaat voor bonhoeffer Bonhoeffer begint zijn Aanzetten tot een Ethiek[1] met een erg abstracte vraag, een vraag die mij in dit huidig oorlogsdebat zo relevant lijkt: mit welcher Wirklichkeit soll ich rechnen? Met welke realiteit, met welke mind-set voor ogen, benader ik dit oorlogsvraagstuk? Ik vind dat het huidig debat te vaak is gaan rekenen met de mind-set van de oorlogsgod. In deze ‘werkelijkheid van Mars’ is oorlog een bloederig maar legitiem middel om de chaos en de ellende van een verscheurd land teniet te doen. En het klopt, geweld heeft tot goede dingen geleid getuige de instorting van het Nazisme in de vorige eeuw. Toch vind ik het kortzichtig en eenzijdig, dit men enkel lijkt te rekenen met de mind-set van de oorlogsgod die uitgaat van het principe dat je je naaste moet liefhebben en je vijand moet haten. Wapens kunnen mensen doden, maar doden nooit de haat en armoede die hen bewoog de wapens op te nemen. Oorlog brengt geen vrede.

Lang geleden was ik in een klein, onbeduidend kerkje waar een zeer oud mannetje een kaars moest aansteken; zo’n mannetje dat ‘de oorlog’ nog had meegemaakt. Het was rond dodenherdenking. Hij was emotioneel en prevelde de paar kerkgangers toe dat ‘Vrede niet de afwezigheid van oorlog is, maar de aanwezigheid van God’. Dit oude lid van de kerkenraad rekende met een andere werkelijkheid voor ogen, een die onderkent dat een land met karpetbommen nooit wordt opgebouwd. Irak heeft een geest van genade, vergeving en verzoening nodig en alleen die mind-set zal een verschil maken: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen. En anders dan clusterbommen, die letterlijk en figuurlijk een top-down policy zijn, is deze mentaliteitsverandering – Spinoza sprak over een gemoedstoestand – een beweging van gewone mensen in kerk en moskee. De vrede is aan hen.

En wij; hier in de rivierdelta van Europa? De verscheurde landen rondom Europa heen hebben een geest van verzoening nodig die wij hen niet kunnen geven. Wat wel mogelijk is is eerlijke handel, (nood)steun en een veilig heenkomen bieden aan hen die kloppen op onze poort. En stop met het geloof in de oorlogsgod, creëer in plaats daarvan een samenleving en buitenlands beleid die moeilijk te haten is omdat het uitdraagt dat juist je vijand je liefde het meest nodig heeft. Ubi Caritas et Amor, Deus ibi est.

 

 

Maarten, oktober 2016

 

 

 

[1] Het feit dat dit boek een ‘Aanzet tot een Ethiek’ gebleven is heeft al alles met oorlogsgeweld te maken. Bonhoeffer vond vroegtijdig zijn einde in concentratiekamp Flossenburg, april 1945.

Column opening academisch jaar PthU

Column opening academisch jaar PthU

Good morning everybody. I have been asked to write a column for you, and I’ve done so. The task ahead of me was quite difficult since the topic of this column is about the seemingly never ending decrease of Christianity in our country. The ‘Evangelische Omroep’ used the headline: “The Netherland have lost God” to announce the results of the report ‘God in Nederland’, which is carried out every ten years. For the first time, there are more unbelievers than believers in our country. That is, when we count all of those who call themselves spiritual with the believers as well. A majority of Dutch people think that religion should have no place in politics at all. However shocking this all may be, there are also other developments. In Amsterdam, Rotterdam and other cities, migrant churches are booming. And although less young people attend church services and other activities, they do tend to embrace orthodoxy, even more often than their parents. In other words, they want a ‘real faith’. Our youth does want to attend Bible lessons etc. if they truly learn something. I’ve had some experience in youth work now, and I’ve observed that the more profound Bible studies become, the more youth will attend and actively participate. They still can be triggered (in the positive sense of the word). And therefore we need to do everything we can to pass the Word of God on to the next generation. We shouldn’t be hiding in caves. And did Jesus not say that He would not come back before the whole world would have heard of Him (Matthew 24:14)? We as Christians get more work to do every day!

Sadly, it seems that the church slowly but steadily loses the radicalism of its original message, namely the message of faith and repentance in Jesus Christ, the Son of God. We may have more work to do, but we must make sure that we clearly have the goal in mind. No work is done without bearing in mind the ultimate goal. When we try to share the Gospel, we should do so with the ultimate goal that people believe in Jesus and repent. Only when we keep in mind that the Gospel is the message of salvation for whoever believes in Christ, we make a slight chance to turn the tide. Why do I say slight? Because the Bible tells us that there will be a Great Apostasy in the last days before Jesus comes. We may very well live in those days; we do not know.

Of course, I do not want to end on this sad note. I hope that we all have a good year, but may this message sharpen us.

Elis de Waard, held at the opening of the academic year of the PthU, Amsterdam. 

 

Boekrecensie: Als de dood – Trage vragen in het euthanasiedebat

Boekrecensie: Als de dood – Trage vragen in het euthanasiedebat

Vorig jaa9200000046267523r sprak Annemarieke van der Woude op het symposium: ‘Het is mooi geweest’ – Over de goede dood en het goede leven’. Nu is er het boek Als de dood. Trage vragen in het euthansasiedebat waarin ze een verdere uitwerking geeft van haar presentatie op het symposium.

Vaak verzandt het debat over euthanasie in een kakafonie van stemmen waarbij de autonomie van de mens en het recht op zelfbeschikking worden aangehaald in een pleidooi voor het recht op euthansie. Met haar boek probeert van der Woude een genuanceerde tegenstem te geven door de complexiteit van het euthansie-vraagstuk aan het licht te brngen. Dit doet ze mede door haar onderzoek te verweven met haar eigen ervaring en de stemmen van mensen die wellicht niet gehoord worden in het debat de revue te laten passeren.

Terecht geeft van der Woude een stem aan nabestaanden en mensen die niet meer mondig genoeg zijn om hun eigen belangen te verdedigen. In haar boek toont ze dat wij door en door afhankelijk zijn van elkaar. Ze heeft oog voor het relationele aspect dat in de juridische terminologie rondom euthanasie veelal ontbreekt. De zelfgekozen dood laat voor nabestaanden diepe sporen na die niet uitgewist kunnen worden.

In haar boek wijst ze onder andere op de moeilijkheid om ‘ondraaglijk lijden’ te beoordelen bij een euthansieverzoek op basis van de wet. Sinds 2002, het ingaan van de wettekst, is er veel veranderd in Nederland en is de betekenis van ondraaglijk lijden verruimd. Een opvallend voorbeeld dat van der Woude aanhaalt, maar verder niet uitwerkt, is het sterven van een man in 2012 door euthansie bij de Levenseindekliniek. Het gaat hier om een man die “ondraaglijk leed onder de gedachte dat zijn pensioen aanstaande was en dat hij geen waardevolle invulling meer zou kunnen geven aan zijn bestaan (p. 84)”. Hoe beoordeel je ondraaglijk lijden in zo’n geval? En kunnen we in plaats van stervenshulp ook levenshulp aanbieden, is een terechte vraag die ze later in het boek stelt.

Wat mij betreft is het sterkste hoofdstuk het hoofdstuk waar ze dicht bij haar eigen ervaring als predikant-geestelijk verzorgster blijft. Ze schrijft over het binnen gaan van de belevingswereld van een dementerende waardoor je als lezer ook uitgenodigd wordt om je eigen mens- en wereldbeeld onder de loep te nemen. Achter de angst voor ‘het monster’ dementie ligt een bepaald mensbeeld besloten. Op een beeldende manier beschrijft ze dat je een dementerende in zijn/haar belevingswereld tegemoet kan treden om het masker (persona) van de dementerende helpen te dragen, bijgestaan door professionals.

Toch had van der Woude ook een aantal zaken beter kunnen uitwerken. De trage vragen die van der Woude aan het einde van elk hoofdstuk stelt zijn veelal retorisch van aard, en zetten niet direct aan tot verdere reflectie. Ook geeft ze vele rijke casussen, die ze maar mondjesmaat uitwerkt.

Daarnaast heeft het boek een wat rommelige opbouw en mag de inleiding wat uitgebreider om de leesbaarheid van het boek te vergroten. Het is duidelijk waarom ze pleit voor een nieuwe benadering van ‘terminaal ziek’en ‘niet-terminaal ziek’ (met het oog op de impact van het overlijden van een persoon bij de nabestaanden), maar haar uitwerking mist een solide argumentatie en opbouw.

De vrijheid van de een kan botsen met de vrijheid van de ander. In onze kwetsbaarheid en afhankelijkheid die gepaard gaat met onze vrijheid kunnen wij elkaar ook bijstaan, lijkt van der Woude te willen zeggen. Wat betekent het dan om in die context te kiezen voor de dood; het definitieve afsnijden van verbondenheid met anderen? Wat betekent het om te kiezen voor het leven bij mensen die niet-terminaal ziek zijn, en hoe kun je hierbij adequate hulp aanbieden? Wat maakt dat een leven waard is om om geleefd te worden? Het onderwerp is te belangrijk om niet in over in gesprek te gaan, en hiervoor vormt het boek een aanzet. Toch slaagt van der Woude er niet helemaal in om de noodzaak van dit gesprek aan te tonen, en dat is spijtig.

– Rachelle van Andel

 

 

Van der Woude, Annemarieke. Als de dood: Trage vragen in het euthanasiedebat. Zoetermeer: Boekencentrum, 2015. 176 pagina’s. €16,50

Boekrecensie: Theology for International Law

Boekrecensie: Theology for International Law

V9780567400659an 2007 tot 2010 was er bij het Center for Theological Inquiry te Princeton een onderzoeksproject lopende over theologie en internationaal recht. Esther Reed heeft op basis van de resultaten daarvan de thematiek verder doordacht en publiceerde recent dit helder geschreven boek. De aanleiding voor zowel het project als het boek ziet zij in de ‘crisis of international law’, wat voor haar inhoudt dat wereldmachten steeds vaker unilateraal het internationaal recht interpreteren en oprekken. Dat is maar moeizaam te verhelpen daar internationale wetgeving niet dwingend is in de enge zin van het woord. Reed is ervan overtuigd dat de wereldreligies een verantwoordelijkheid hebben om een bijdrage te leveren aan het zoeken naar oplossingen voor die crisis. Hierin wordt duidelijk wie ze als haar publiek ziet: christenen die ofwel denken over internationaal recht en internationale betrekkingen ofwel actief zijn in de beleidsmatige, politieke en/of juridische praktijk van de overheid, advocatenkantoren of NGO’s. De keuze voor een publiek is een van de belangrijkste keuzes die een auteur moet maken, en in dit geval leidt dat ertoe dat het boek een aantal zeer opvallende sterke en zwakke kanten heeft. Twee daarvan, een sterk punt en een zwak punt, wil ik hier kort bespreken om een beeld te geven van de inhoud van het boek.

Op Bijbelse gronden betoogt Reed dat het streven naar gerechtigheid, mogelijk via het internationale recht, een belangrijk onderdeel van het christelijk geloof is. Daarbij houdt ze altijd een slag om de arm: enkel Gods reddende recht is werkelijk zaligmakend. Vervolgens gaat ze verder en merkt haar benadering aan als ‘protestants thomistisch’, wat ze afleidt uit de belangrijke rollen voor Karl Barth en Thomas van Aquino in haar werk. Met de eerste denkt ze genuanceerd en constructief over het bestaan van volkeren. Ze wijst op passages uit de Schrift waaruit blijkt dat niet enkel het individu maar ook volkeren als geheel in het eschaton verantwoordelijk worden gehouden. Door deze nadruk op de plek van volken in de eschatologie kan zij met recht spreken over inter-nationaal recht. De volken moeten dit recht onderling vormgeven, en de onderbouwing daarvoor treft Reed bij Thomas van Aquino. Het bonum commune is altijd van hogere orde dan het goed van een enkeling omdat het de relationele eenheid in God meer benadert. Reed stelt daarom dat gerechtigheid bewerkt door het inter-nationaal recht meer rechtdoet aan dat Thomistisch begrip van het gemeenschappelijk goed dan wanneer rechtvaardigheid enkel op nationaal niveau wordt vormgegeven.

Met dit nadrukkelijk redeneren in de lijn van Barthiaanse en Thomistische theologie biedt Reed de bij de thematiek betrokken christen de theologische bagage om christelijk over internationaal recht te kunnen spreken. Hier ligt zowel de kracht als de zwakte van Reeds boek. Want het valt te prijzen dat ze hiermee recht doet aan de christen actief in de internationale politiek, maar juist door die focus wordt haar boek onbegrijpelijk voor niet-christenen in de discipline. Nu is dat op zich geen probleem, maar juist het internationaal recht heeft een geschiedenis waarin de theologie een belangrijke rol speelt. Dit aspect laat Reed volledig onbesproken. Ook vandaag zijn er nog veel internationaal juristen en rechtsfilosofen die nadrukkelijk de taal van de theologie willen spreken, omdat zij in lijn van Carl Schmitt stellen dat de belangrijkste concepten uit het internationale recht en het staatsrecht geseculariseerde theologische concepten zijn. Dat veronderstelt wel een andere beweging dan de beweging die Reed maakt, namelijk door eerst over een begrip als soevereiniteit te denken in uitsluitend theologische termen en dat vervolgens te seculariseren voor toepassing in het recht. Wat Reed doet is feitelijk het tegenovergestelde: zij denkt theologisch na over juridische vraagstukken, en daarmee wordt haar denken afhankelijk van het hedendaagse fenomeen. Hierdoor zijn haar voorstellen altijd slechts ten dele seculier en ten dele theologisch, omdat zij niet ‘twee keer denkt’ (eerst theologisch en vervolgens seculier) maar altijd theologisch denkt over wat zij ziet in seculiere fenomenen. De vraag is of haar publiek, christenen actief in het internationaal recht, hiermee geholpen is.

Nu is mijn kritiek hier meer fundamenteel van aard, en niet over de uitwerking van haar gedachten an sich. De eerder geschetste kracht, dat Reed christenen actief in het internationaal recht feilloos weet aan te spreken, blijft staan. Dit boek is een waardevolle bijdrage aan de publieke en politieke theologie, alsmede een belangrijke bron voor de christenen die zich in de internationale politiek bewegen.

– Ruben van de Belt

 

Esther D. Reed. Theology for International Law. London: Bloomsbury, 2013. 350 pagina’s, £19,99.

Boekrecensie: 12 artikelen over Bidden

Boekrecensie: 12 artikelen over Bidden

800_300_1_155397_0_nl_shopcast_9789023970552Bidden. Het is één van de belangrijkste christelijke praktijken, maar ook één van de moeilijkste. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat er al boekenplanken over vol geschreven zijn. Een nieuwe aanwinst in het Nederlandse taalgebied is het handzame boekje 12 artikelen over bidden. De vierde uitgave in de reeks Geloven op goede gronden van de stichting Schrift en belijden. In dit boekje ‘beantwoorden twaalf auteurs uit het brede confessionele midden van de Protestantse Kerk in Nederland actuele thema’s over bidden,’ aldus de achterkant. Dit roept in eerste instantie de vraag op hoe breed het confessionele midden van de PKN nu daadwerkelijk is – zeker in vergelijking met de wereldkerk, maar dat is hier niet het punt. De vraag is vooral of er in deze ‘actuele’ bespreking heel veel nieuws gezegd wordt.

Om gelijk maar op die vraag te antwoorden: nee, eerlijk gezegd niet. In het boekje worden voornamelijk een hoop open deuren open getrapt. Nee, niet open getrapt, maar voorzichtig opengeduwd. Want de auteurs schrijven met een omzichtigheid die men ook zou verwachten van auteurs die uit een breed middenveld komen en dus aan alle kanten uit moeten kijken om geen mensen tegen het hoofd te stoten. Bovendien zijn de verschillende thema’s – behalve misschien het laatste: bidden met andersgelovigen – niet zo spectaculair actueel. Schroom om te bidden, het Onze Vader, de vraag of bidden helpt zijn in de kerkgeschiedenis al uit den treuren behandeld en zoals gezegd biedt dit boekje weinig nieuwe inzichten. Wat wil je ook in gemiddeld 5 pagina’s (op A5 formaat) per hoofdstuk.

Is het daarmee een slecht boekje? Dat niet per se. Maar je moet je er van tevoren goed van vergewissen waarvoor (en vooral: voor wie) dit boekje bedoeld is. Het biedt weinig tot geen verdieping in de behandelde onderwerpen, maar die onderwerpen beslaan wel zo’n beetje het hele spectrum van het thema bidden. Daarmee heeft 12 artikelen over bidden een sterk inleidend karakter en zou uitermate geschikt zijn voor mensen die nog niet zo bekend zijn met het gebed en de christelijke invulling daarvan. Bovendien bieden de twee gespreksvragen aan het eind van ieder hoofdstukje de mogelijkheid om over het behandelde onderwerp door te praten. Daarmee kun je zelf een zekere verdieping aanbrengen en leent het boekje zich ook goed voor bijvoorbeeld een bijbelstudiekring met beginnende christenen.

12 artikelen over bidden is een alleraardigst boekje, mits je het met de juiste verwachtingen benadert. Het is sterk inleidend en enigszins tam. Niet geschikt als studiemateriaal voor de gemiddelde theologiestudent dus. Maar des te meer als eerste kennismaking met het christelijke gebed voor wie daar weinig tot niets van afweet.

– Joren IJzerman

 

 

Henk van de Meulen, Jurrien Mol, Edward van ’t Slot e.a. 12 artikelen over bidden. Herbert Wevers (red.). Zoetermeer, Boekencentrum, 2016. 72 pagina’s. € 8,90.

Boekrecensie: Adam, Eva en de Duivel – Kanaänitische mythen en de Bijbel

Boekrecensie: Adam, Eva en de Duivel – Kanaänitische mythen en de Bijbel

De Bijbelse verhalen 9200000058314756over de schepping en oergeschiedenis van de wereld zijn niet uit de lucht komen vallen, maar vinden hun oorsprong in Kanaänitische mythen, die grotendeels gemeengoed waren in de wereld waarin de bijbelschrijvers leefden. Bijzonder invloedrijk is de Ugaritische Addamu-mythe geweest. Tot deze conclusie zijn Marjo Korpel en Johannes de Moor gekomen nadat ze twee in de Kanaänitische stad Ugarit gevonden kleitabletten bij elkaar gelegd hebben. Het verhaal dat hierdoor ontstond hebben ze vergeleken met de Bijbelse verhalen. Daarbij bleken er zowel opvallende parallellen als verschillen te zijn. Over dit onderzoek schreven de twee oudtestamentici het boek Adam, Eva en de Duivel. Dit is de Nederlandse vertaling en gepopulariseerde uitgave van hun Adam, Eve and the Devil (Korpel & De Moor, 2014; 2015). Het is een boek dat de wenkbrauwen nu eens doet optrekken en dan weer doet fronsen.

Om te beginnen is dit een buitengewoon goed te lezen boek. De opzet is overzichtelijk, helder en logisch. De schrijfstijl is over het algemeen plezierig (degenen die les hebben gehad van dr. Korpel zullen mogelijk haar droge humor herkennen) en zowel de afbeeldingen als de voetnoten zijn functioneel. Wel is duidelijk dat de schrijvers een vrij breed publiek voor ogen hadden, dus de echte theoloog kan zich soms wat betutteld voelen door de uitleg die voor haar of hem niet per se nodig was. Dit geeft echter alleen maar aan dat Korpel en De Moor goed onthouden hebben voor wie ze schreven en zich daar ook aan konden aanpassen. Dat kan lang niet van alle academici gezegd worden en is dus een compliment waard. Als goede docenten geloven Korpel en De Moor ook in de kracht van herhaling; dit houdt de lezer bij de les, maar kan op den duur ook wat gaan irriteren. Misschien is dat vooral een kwestie van smaak

Inhoudelijk dan. Op dat gebied heeft het onderzoek van Korpel en De Moor al veel lof geoogst en niet zonder reden. Op een buitengewoon nauwkeurige manier trekken de auteurs een raamwerk op waarbinnen verschillende puzzelstukjes – de bekende scheppingsverhalen, maar ook andere, soms lastige, passages uit het Oude en Nieuwe Testament en de parabijbelse literatuur – een plek krijgen en een passend geheel lijken te vormen. Het geheel zorgt voor veel nieuwe inzichten. Het mag dan ook geen twijfel lijden dat de theorie van Korpel en De Moor in te toekomst een belangrijke rol zal spelen bij verder onderzoek van die passages.

Het grote gevaar van een raamwerk is natuurlijk dat je wilt dat alles erbinnen past. Ook Korpel en De Moor lijken zich niet helemaal aan dit gevaar te kunnen onttrekken. Ieder element uit besproken de (para)bijbelse literatuur lijkt wel een verbinding te moeten hebben met de Adammu-mythe. Het gevolg is dat er soms een beetje op los geassocieerd lijkt te worden. Nu is dat nog tot daaraan toe, maar dit gebeurt vaak met een stelligheid die niet helemaal op zijn plaats lijkt – zeker niet als je alle ‘mitsen’ en ‘maren’ meeneemt, waar de auteurs het boek zowel mee beginnen als eindigen.

Al met al is het zeker de moeite waard om Adam, Eva en de Duivel te lezen, want ondanks een enkele kanttekening snijdt de theorie van Korpel en De Moor zeker hout. Voor een casual read heb je genoeg aan de Nederlandse uitgave, maar voor academische doeleinden is het beter om de Engelse (wetenschappelijke) uitgave te gebruiken. Het is goed om met een kritische houding te lezen, maar dat mag überhaupt van studenten verwacht worden…

– Joren IJzerman

 

 

Marjo Korpel & Johannes de Moor. Adam, Eva en de Duivel – Kanaänitische mythen en de Bijbel Vught, Skandalon, 2016. 336 pagina’s. € 29,95.

Boekrecensie: Eeuwig duurt zijn trouw. Ignatiaanse veertigdagenretraite

Boekrecensie: Eeuwig duurt zijn trouw. Ignatiaanse veertigdagenretraite

RE5654_EeuwigDuurt_CVR_14x21.inddEeuwig duurt zijn trouw. Dat is de titel van deze veertigdagenretraite, die gebaseerd is op de ignatiaanse spiritualiteit. Als iemand uit de protestantse traditie moet ik zeggen dat ik niet zoveel van Ignatius weet, in ieder geval niet van Loyola (en zeker niet van zijn spiritualiteit). En daar had ik dan ook graag wat meer over willen weten (aan het einde van het boekje staat wel een overzichtje met websites over de Jezuïeten en boeken over ignatiaanse spiritualiteit, maar wat meer over Ignatius leek mij toch wel handig, maar misschien ben ik ook niet de modellezer die de auteurs voor ogen hadden).

Voor elke dag is er een Bijbeltekst met zeer korte overdenking en een aantal vragen. Het begint natuurlijk op Aswoensdag en eindigt met Pasen. Aan het begin van elke nieuwe week (zondag wordt als eerste dag van de week beschouwd) wordt een thema aangekondigd met vervolgens op de volgende pagina de inleiding van het thema. Dan volgt een instructie over hoe te overdenken (dit komt bij elke week terug en kan zodanig als opfrisser gelden. Daarna volgt een citaat van iemand (veelal Jezuïeten) waarmee het thema van die week wordt ingeleid.

De thema’s die behandeld worden, zijn: ‘Keer om’, ‘Mijn verbond met jullie’, God heeft een hart, Barmhartig en rechtvaardig, God is een barmhartige Vader, Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is (Lucas 6,36), ‘Liefde die zichzelf geeft’ en de laatste ‘week’ is Pasen, zonder thema. Daarmee leeft de lezer ook niet echt erg toe naar Pasen. De thema’s (en Bijbelteksten) zijn niet toegespitst op voorbereiding tot Pasen. De Bijbelteksten zijn vrijwel zonder context – behalve de paar zinnen die als inleiding voor de vragen gelden – en komen uit zowel het Oude als het Nieuwe Testament (en ook uit het Deuterocanonieke boek Wijsheid). Maar de vragen zijn goed, prikkelend, uitdagend, echt niet om zo even vlug door te lezen. Je moet er echt voor gaan zitten, goed nadenken, misschien even wegleggen en later op de dag op terugkomen. De vragen zijn reflectief, maar niet puur gericht op de persoon zelf, maar ook op zijn relatie met God, of hoe hij tegenover andere mensen staat of handelt. De vragen hielpen mij om weer even stil te staan.

Toch zijn er ook kanttekeningen te plaatsen, niet per se aan de inhoud (de vragen, nogmaals, waren sterk), maar meer aan de vorm. Zo staan er regelmatig foutjes in qua interpunctie. Een komma waar een punt moet staan (p.26, 39) of onrechtmatig kommagebruik zodat de zin niet loopt (p.26), onterechte verwijzingswoorden: ‘een zin… dat’ (p.39). Maar ook inconsistentie bij het gebruik van aanhalingstekens bij bijvoorbeeld de thema’s (hierboven heb ik het letterlijk overgenomen): wanneer moet het thema tussen aanhalingstekens? Wanneer moet de Bijbeltekst erbij? Over Bijbelteksten gesproken, wanneer moet er wel een verwijzing naar de tekst? Zo staat er in het citaat van Paus Franciscus op p.13 wel een vermelding naar het tekstgedeelte, maar bij Augustinus, op p.22 niet. Daarbij waren de citaten vaak van een totaal andere schrijfstijl dan de lopende tekst (veel langere en mooiere zinnen). Het verschil was groot. Wat mij vooral stoorde tijdens het lezen waren de korte zinnen. Of eigenlijk zijn het geen zinnen, maar statements, aangezien er soms geen persoonsvorm aanwezig is. Dit komt op tal van plekken voor. Als voorbeeld p.28: “Zijn wegen gaan. Of liever nog: jouw weg laten bepalen door zijn Nabijheid. Willen zijn waar Hij is. Dag en nacht, voortdurend. Als Hij rust, je tent opslaan. Bij Zijn tabernakel. Altijd in Zijn Nabijheid.” Dat is ook zo op p.42 “Gods hart is als een reuzenbron van levend water. Een bron die noodzakelijk is voor ons leven. Een bron die gelukkig nooit opdroogt.”; en ook op p.83: “En ook de Vader in de hemel zal je dan barmhartig zijn. Er zijn voor jou.”

Al met al, de reflectievragen bij elke ‘dag’ zijn goed en prikkelend, voor iedereen geschikt die serieus een retraite wil volgen of een leidraad wil bij overdenking. Overigens zijn de veertien tips die achteraan in het boekje staan behulpzaam, zelfs een eyeopener (ook om groepsgesprekken mee te doen). De (schrijf)stijl moet je vergund zijn. Zoals ik al eerder vermeldde, ik ben waarschijnlijk niet de modellezer…

Hoe dit boek zich verhoudt tot anderen in zijn soort, weet ik niet (ik lees dit soort boeken niet zo vaak). Ook is mij onduidelijk wat er specifiek ignatiaans is aan dit boekje. Mijn eindoordeel is gematigd positief: zelf zou ik het niet aanschaffen.

– Ruben van Wingerden

 

 

Piet van Breemen s.j., Hans van Leeuwen s.j., Nikolaas Sintobin s.j. (Red.) Eeuwig duurt zijn trouw. Ignatiaanse veertigdagenretraite. Zoetermeer: Uitgeverij Meinema, in samenwerking met Uitgeverij Averbode, 2016. 127 pagina’s. €14,95.